Steeds meer steden en regio’s verschuiven de blik van ‘files en vertragingen aanpakken’ naar werken aan bereikbaarheid. Dat is een goede ontwikkeling, want daarmee werken ze meer mens- en doelgericht. De vraag is alleen hoe zoiets aan te pakken. Hoe leg je een stevige basis voor bereikbaarheidsbeleid? Paul Plazier en Laurenz Denker van MuConsult delen in deze bijdrage vijf praktische lessen.

Bereikbaarheid is de vrijheid om deel te nemen aan wat de maatschappij te bieden heeft. Hoe vrij je in dat opzicht bent, hangt sterk af van de omgeving waar je woont en je mobiliteitsopties. Zijn er veel of weinig voorzieningen in de buurt? Hoe lang reis je om bij je huisarts of sportvereniging te komen? Uit welke vervoermiddelen kun je kiezen? Zijn die voldoende toegankelijk, betaalbaar en betrouwbaar? En rijdt de bus nog als ik na mijn avonddienst naar huis moet?
Merk op dat bereikbaarheid om meer gaat dan ‘files en vertragingen aanpakken’. De oplossing is ook niet simpelweg méér mobiliteit, maar een betere afstemming van maatregelen op het doel dat je eigenlijk wil bereiken: mensen meer vrijheid bieden om hun leven te leiden zoals zij dat willen.
Vijf lessen
Op basis van onze ervaring met deze opgave hebben we vijf lessen geformuleerd. Het zijn geen pasklare oplossingen voor op straat – daarvoor is de opgave te divers. Maar de lessen bieden wel een stevige basis voor een bereikbaarheidsaanpak die recht doet aan de complexiteit van het onderwerp.
1. Sturen op bereikbaarheid vereist keuzes
Als je aan beleidsmakers van een stad of regio vraagt wat ze op het gebied van bereikbaarheid willen bereiken, kun je al snel een complete bingokaart aan doelen afstrepen: meer vervoersmogelijkheden, snellere reistijden, inclusiviteit, duurzaamheid, toekomstvastheid, betaalbaarheid enzovoort.
Maar je inzet en middelen zijn zelden onbeperkt, dus je zult keuzes moeten maken. Dat betekent weer dat we de verschillende doelen in verhouding tot elkaar moeten zien: welke krijgen prioriteit en welke zijn secundair?
Om daar grip op te krijgen, kun je met dilemma’s werken. Wat vindt de beleidsmaker belangrijker: de toegang tot arbeidsplaatsen of de toegang tot ziekenhuizen? Geef je je euro’s uit aan extra bushaltes of een extra bus? Maar ook: zet je de middelen vooral in voor de groepen die het nu moeilijk hebben? Of is het doel om het welvaartsniveau voor de gemiddelde inwoner te verbeteren?
De discussie aangaan over dit soort dilemma’s helpt steden en regio’s om de verhoudingen tussen doelen en wensen scherp te krijgen. Op basis van die inzichten kunnen dan de eerste lijnen van een bereikbaarheidsaanpak worden uitgezet.
2. Onderzoek is nooit neutraal
Om die aanpak goed uit te kunnen werken, moet je ook weten hoe het met de bereikbaarheid hier en nu is gesteld. Wie ondervindt problemen? Waar zijn voorzieningen beperkt bereikbaar? Hiervoor moet je gedegen onderzoek uitvoeren. Het punt is alleen dat die studies zelden neutraal zijn.
Van enquêtes weten we dat er het gevaar is van ‘kleuring’. Waarover je vragen stelt, hoe je ze stelt en aan wie – dat wordt vaak mede bepaald door de wensen, doelen en het huidige beleid. Ook als het gaat om de interpretatie van de resultaten, kunnen we meerdere kanten op. Uit een enquête blijkt misschien dat sommige inwoners ontevreden zijn, terwijl ze objectief meer mogelijkheden hebben dan anderen. En anderen zijn tevreden, terwijl ze eigenlijk veel missen. Moeten we in zo’n geval een probleem oplossen dat mensen zelf niet zien? Of concentreren we ons toch maar op de al dan niet terechte klagers?
Maar ook bij methodisch gezien objectieve bereikbaarheidsanalyses kan er sprake zijn van kleuring. Stel dat je als stad ervoor kiest om groepen die het moeilijk hebben te ondersteunen, dan zal je wellicht onderzoeken hoeveel mensen een specifieke bestemming wel of niet kunnen bereiken. Maar wil je het welvaartsniveau van de gemiddelde inwoner verbeteren, dan kijk je eerder hoeveel bestemmingen een groep mensen gemiddeld kan bereiken. Hoe objectief de onderzoeken zelf ook mogen zijn, wat je wel en niet meeneemt – en daarmee: het onderzoeksresultaat – hangt sterk samen met je uitgangspunten.
Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar het is wel goed om de impliciete aannames of doelen die de onderzoeken kleuren, op te sporen en te benoemen. Daar kun je vervolgens afspraken over maken. Eén optie is bijvoorbeeld om ook (de consequenties van) andere uitgangspunten te verkennen. Je maakt dan bewustere en beter onderbouwde keuzes – en dat zorgt voor beter beleid en een betere afstemming met de uitvoering.
3. Mobiliteit is maar een deel van de oplossing
Bij het werken aan bereikbaarheid wordt al snel gedacht in oplossingen als meer openbaar vervoer of deelvervoer. Die kunnen zeker helpen, maar we merkten al op dat bereikbaarheid meer is dan een mobiliteitskwestie. Het gaat uiteindelijk om waar je naartoe wil. Dat kun je met meer mobiliteit oplossen, maar je kunt ook voor meer bestemmingen in de omgeving zorgen. Als bijvoorbeeld scholen niet zoveel geclusterd zijn, maar meer verspreid, hoeven mensen minder ver te reizen.
Bereikbaarheid is dus effectief te verbeteren door mobiliteit en gebiedsontwikkeling sámen te plannen. Dat vereist een iteratief proces op bestuurlijke en ambtelijke niveaus: ruimte en mobiliteit moeten nadrukkelijk aan elkaar worden gekoppeld. Soms liggen de kosten bij mobiliteit en de baten bij andere domeinen, soms net andersom. Dan kan een flexibele inzet van budgetten nodig zijn.
4. Plan voor alle vervoerwijzen
Een voorbeeld uit de praktijk: in een klein dorp wordt de bus geschrapt. Er waren nauwelijks mensen die er gebruik van maakten, maar toch is iedereen woest. Waarom? Om te beginnen omdat verliezen nu eenmaal pijn doet. Maar het kan ook zijn dat sommigen het erg prettig vonden dat een bekende chauffeur hun kinderen naar school of naar de sportvereniging bracht – nu moeten ze dat zelf regelen. En terwijl de meeste mensen wel een auto of fiets gebruikten, was het geruststellend anders te kunnen reizen, voor het geval de partner de auto nodig heeft, het weer te slecht is om te fietsen enzovoort. Ook is er nog dat kleine groepje inwoners voor wie de bus wél de enige optie was.
Het belang van de perceptie van bereikbaarheid moeten we niet onderschatten. Zorg er altijd voor dat mensen een echte keuze hebben die voor hen werkt. Door multimodaal te werken, maak je bereikbaarheid niet alleen inclusiever, maar ook robuuster: inwoners hebben een terugvaloptie.
5. Vertaal doelen naar duidelijke criteria
Doelen stellen is één ding, maar ze moeten ook haalbaar zijn. We noemden al de noodzaak om keuzes te maken, maar dat is een eerste stap. Het gaat er ook om tot uitvoerbare maatregelen te komen.
Wees daarom duidelijk en concreet, in termen als ‘dit is waar we naartoe willen, dit moeten we verbeteren’. Vertaal dat naar duidelijke criteria. Zo zou je een begrip als inclusiviteit kunnen concretiseren tot: iedereen moet binnen 400 meter een bushalte hebben die hem binnen 45 minuten naar een ziekenhuis brengt. Dan kun je kijken welke maatregelen dat vergt en of de geplande maatregelen uit het plan hierbij passen. Zo niet, dan kun je met andere of extra maatregelen komen.
Tot slot
Werken aan bereikbaarheid is belangrijk, boeiend en uitdagend. Gelukkig doen we steeds meer praktijkervaring op en lukt het steeds beter om te redeneren vanuit het menselijke perspectief, om strategisch en multidisciplinair te denken en om het realistisch te houden. Dat brengt ons steeds dichter bij dat einddoel: zoveel mogelijk inwoners de vrijheid bieden om deel te nemen aan wat de maatschappij te bieden heeft.
___
De auteurs
Dr. Paul Plazier en Laurenz Denker MA zijn adviseurs Bereikbaarheid bij MuConsult.
