De tijden dat we onze auto nog in hartje grote stad kwijt konden, zijn voorbij. Dat mooie centrum moet immers ook een beetje veilig en leefbaar blijven!
Voor veel inwoners uit kleinere steden en dorpen in de regio is de auto echter de enige praktische manier om richting de stad te reizen. Normaal gesproken zou je dan ergens de overstap op openbaar vervoer willen maken, maar waar? Dat wordt steeds lastiger voor ze: overstappunten staan op alle niveaus onder druk.

Stadsrandhubs
Neem de stadsrandhubs, de parkeerlocaties die jarenlang die overstap naar de binnenstad faciliteerden. Een deel van die hubs is verder naar buiten verplaatst of zelfs verdwenen, omdat hun oorspronkelijke plek nodig was voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Dan is er nog het probleem dat deze hubs meer en meer bevolkt worden door de nieuwe doelgroep ‘op afstand parkerende buurtbewoners’. In veel centrumwijken probeert de gemeente autobezit omlaag te krijgen met bijvoorbeeld vergunningenplafonds voor parkeren. Maar een fors deel houdt die (tweede) auto toch en stalt die dan maar op afstand – in die overgebleven stadsrandhubs bijvoorbeeld. De bezoeker uit de regio wacht dan een bordje ‘VOL’.
P+R-terreinen
Ook de P+R-terreinen bij NS-stations hebben het zwaar. Ze zijn vaak aantrekkelijke woningbouwlocaties en gemeenten offeren ze om die reden soms op. Lokaal gezien misschien een logische keuze, maar regionaal gezien niet. Een P+R-station is er immers niet primair voor inwoners van de betreffende kern, maar voor reizigers uit de regio. Voor die groep is de fiets vaak geen optie en openbaar vervoer naar het betreffende station niet beschikbaar. Als we die doelgroep in het ov willen krijgen, is dat plekje bij het station een must.
Interessant is ook wanneer we niet naar één station kijken, maar naar een hele spoorcorridor. Verdwijnt capaciteit bij station A of verandert het parkeerregime, dan wijken reizigers uit naar station B of C. De parkeervoorzieningen daar lijken daarmee succesvol omdat ze vol komen te staan, terwijl de reizigers misschien noodgedwongen van ver komen omdat hun vaste P+R bij station A is opgeheven. Andersom kan een gemeente denken dat haar P+R niet meer nodig is, terwijl de parkeerdruk zich slechts heeft verplaatst naar de buren.
De beleidsuitdaging
Ik denk dat we ons de vraag moeten stellen welke rol de auto heeft in de toekomstige bereikbaarheid van de centrumstad voor inwoners van de regiogemeenten. Pas als we dat antwoord hebben, kunnen we goede keuzes maken. Niet alleen vanuit het bestrijden van files, het ontmoedigen van de auto of vanuit een sluitende exploitatie van een parkeergarage of grondexploitatie, maar ook vanuit een bredere, regionale blik.
Zo’n bredere blik heeft een economische component – de centrumstad heeft de inwoners uit de regio nodig. Maar er is ook een goede sociale reden om die bezoeker-met-auto uit de regio te faciliteren: de inwoners van de regio moeten toegang houden tot banen en voorzieningen.
Wil je met deze aspecten goed rekening houden, dan ontkom je niet aan een regionale aanpak. De centrumstad en de regiogemeenten vormen één systeem. Dit vraagt om een integrale afweging van de ruimtelijke keuzes en zicht op de herverdeling van lusten en lasten die keuzes met zich meebrengen. De rol van de auto in de bereikbaarheid van de centrumstad is hierbij een van de kernvragen voor de nabije toekomst.
